fbpx

Verhaal 13

Max mag elke dag een beetje minder

Hoe zou het zijn als je op een dag niet meer naar de dierentuin mag of in tram kunt stappen? Max mag elke dag een beetje minder in de Tweede Wereldoorlog.

September 1941

‘Jij hoort hier niet,’ schreeuwt een voorbijganger. De man kijkt mij woedend aan.

Ik hoor het piepende geluid van de tram. De deuren van de tram gaan open. Ik sluit achteraan in de rij. Als alle mensen hebben betaald, kijk in de ogen van de tramchauffeur. Hij wijst mij op een geel bord bij de tramhalte. Langzaam lees ik de letters. ‘VOOR JODEN VERBODEN.’

Mijn voeten kan ik niet bewegen. Plots voel ik twee armen in mijn rug. Kermend van de pijn lig ik op de stoep. Het rijtuig rijdt langs mij heen. Ik til mijn hoofd op en zie de boosheid in de ogen van de passagiers. Als de tram uit mijn zichtveld is verdwenen, zie ik dat uit mijn knie een dun strengetje bloed loopt. Het valt op de grijze stoeptegel.

 

Ik kruip langzaam omhoog. Slenterend loop ik door Amsterdam. Ik raap een krant op die op de grond ligt. Ik lees de datum: vijftien september 1941. Het staat er echt. Woest smijt ik het papier op de grond. Elke dag mag ik minder van de Duitsers.

Ik hoor de apen brullen. Nog maar een paar weken terug bezocht ik Artis, samen met mijn moeder. Samen met haar keek ik naar de spelende apen die bungelden aan een touw. Ik schrik op uit mijn gedachten door enkele kinderen die mij passeren. Vol enthousiasme huppelen ze naar de ingang.

 

‘Het is oneerlijk!’ zeg ik tegen mijn moeder.

‘Je moet trots zijn dat je Joods bent,’ hoor ik haar tegen mij zeggen.

‘AU!’ gil ik. Het warme water op mijn knie prikt. ‘Zwembaden, parken, scholen… nergens mag ik meer naartoe. Alleen, omdat ik Joods ben. Ik ben vijftien. Ik wil naar de dierentuin!’

‘Hoe vaak hebben we het hier al over gehad?’ Meer zegt ze niet. Met een stoïcijnse blik verbindt ze mijn knie.

 

Mei 1942

De afgelopen maanden zijn de maatregelen strenger geworden. In maart zou ik een bruiloft hebben van Abraham, een broer van mijn moeder. Hij wilde trouwen, maar dat mag niet meer. Zijn verloofde is geen Joodse.

Ik zie mijn moeder de kamer binnen lopen. Ze draagt garen en stof. ‘Voor ieder van ons heb ik vier sterren. Het kostte tachtig cent.’

‘Denk maar niet dat ik met die ster ga lopen!’ schreeuw ik naar haar toe. Boos loop ik weg. Even later hoor ik het snorrende geluid van de naaimachine.

 

De volgende dag kijk ik naar mijn lange, bruine jas. De gele vijfpuntige ster prijkt op mijn borst. Mijn moeder zwaait mij uit en fluistert in mijn oor dat ik trots moet zijn om deze ster te mogen dragen.

Ik loop naar Kees. Een oud klasgenootje op de hoek van de straat. Ik zie dat hij de bal tegen de muur trapt. Ik ren naar hem toe, maar hij rent weg. Ik ren zo hard als ik kan naar hem toe. In het bekende steegje tussen twee huizen, haal ik hem in. Ik hijg flink. ‘Waarom ren je weg?’

‘Snap je dat dan niet?’ hoor ik Kees tegen mij zeggen. ‘JIJ BENT EEN JOOD. IK MAG NIET MET JOU GEZIEN WORDEN.’

 

Ik voel mijn kleine teen in mijn schoen knellen. Ik kijk naar de harde gelaatstrekken van mijn vriend. De enige keer dat ik hem zo heb zien kijken, was toen hij onterecht de klas uit werd gestuurd. In mijn oog mengt een zweetdruppel zich met een traan. De maanden daarna kom ik steeds minder op straat. Mensen spugen of roepen dat ik een vieze Jood ben.

 

 

Herfst 1942

Mijn bruine koffer ligt op mijn bed. De twee broeken die ik nog heb, stop ik erin. ‘Opschieten!’ roept mijn moeder naar mij.

Ik hol de trap af en zie de beste vriend van mijn vader in de kamer staan. ‘Geen tijd te verliezen,’ zegt hij tegen ons  gezin. Hij geeft ons andere kleren. Ik draag een jas zonder ster en krijg een bruine hoed. Ik loop het huis uit. Ongeveer tien minuten loop ik door het centrum van Amsterdam. Ik moet zo gewoon mogelijk lopen. Op straat patrouilleren Duitsers. Je herkent hen aan de groene pet. Ook dragen ze een rood met wit embleem op de mouw. In het midden het teken van de nazi’s. Een hakenkruis.

 

Ik zucht diep. Henk schenkt warme thee voor mij in. Ik zit naast mijn moeder. ‘Alle Joden worden uit huis gehaald. Jullie kunnen vanaf nu niet meer naar buiten.’ Dat zijn de woorden die Henk tegen ons uitspreekt. Ik blaas in mijn thee. Als ik een slokje thee drink, ruik ik zijn sterke aftershave.

 

Het went niet om op gesloten te zitten op een piepkleine zolder. Heel soms gaat het zolderluik open. Dan worden er een paar hompjes brood naar binnen gegooid. Ik ben te lang voor de kleine zolder. Op sommige dagen is het niet veilig genoeg. Ik kan dan niet naar het toilet op de eerste verdieping. In de hoek van de zolder plas en poep ik in een grote emmer. Alles stinkt. Mijn kleren, het eten en de mensen. In 1944 zit ik samen met acht mensen op de zolder.

Ik vermaak mezelf door gedichten te schrijven. Als de oorlog voorbij is, dan word ik dichter. Iedere avond lees ik een gedicht voor aan de anderen. Soms applaudisseren ze door geluidloos te tikken op hun vingers. Als ik over mijn bovenlip wrijf, voel ik steeds meer haartjes. Mijn vader zegt dat ik nu een echte man ben.

Henk komt steeds minder naar zolder. Eerst vroeg ik nog wel of hij nog wat eten of drinken had, maar dat vraag ik niet meer. Via de radio hebben we gehoord dat de Duitsers alle Joden willen vermoorden.

 

‘WEG!’ Henk roept dat het niet meer veilig is. Ik kan mijn benen bijna niet bewegen, omdat op zolder zo weinig plek is. ‘In deze straat zijn Joden opgepakt,’ zegt hij.

In het pikkedonker lopen we door de Jodenbuurt. ‘Achter een bakkerij bevindt zich een woonhuis,’ hoor ik Henk tegen mijn vader zeggen. Op straat zegt niemand iets. Ik loop naast mijn broer. Na enkele minuten lopen bereik ik de bakkerij. Ik ruik de geur van versgebakken brood. Het maakt mij blij.

‘Snel!’ sist een vrouw. Ik stap haar huis binnen en word direct naar de kelder gebracht. ‘Het is niet veel, maar hier heb ik wat restjes Zweed wittebrood.’

Het smaakt niet. Het liefst wil ik het uitspugen. Ik had me zo verheugd op een krentenbol, maar die zijn helaas al verkocht.

 

’s Nachts doe ik geen oog dicht. Steeds meer vliegen zoemen in de kelder. Het gesnurk van mijn vader wordt steeds heviger. Ik ben klaarwakker. De pistolen knallen onophoudelijk. Meestal drie achter elkaar. Langzaam zie ik dat iedereen wakker is geworden. Niemand zegt iets. Iedereen weet dat je stil moet blijven. Na ongeveer drie uur hoor ik geen knal meer.

 

De eigenaresse van de winkel opent de kelderdeur. ‘Jullie moeten hier weg. Een vriendin van mij heeft me verraden.’ Ik loop met mijn voeten door alle plassen. Mijn vader en broer kunnen niet bij ons blijven. Samen met mijn moeder word ik opgevangen in een groot herenpand. Er is geen tijd om afscheid van ze te nemen. Ik kijk om mij heen en tel in totaal veertien Joden die ondergedoken zitten. Een paar dagen later wordt ons verteld dat alles goed gaat met de anderen.

 

Ik ril. Het is ijskoud in de kelder. De weinige dekens die er zijn, gaan naar de baby’s en kleine kinderen. Het dichten gaat niet meer zo goed. Ik ben iedere dag moe. Zelfs opstaan is vermoeiend.

Na een tijdje vraag ik me af of de zon schijnt. Ik weet niet meer hoe het voelt om de zon op je huid te voelen. Het is zo lang geleden.

 

April 1945

Voor het eerst wordt er gelachen. Mijn moeder is jarig. Heel zachtjes feliciteren we haar. Niet met taart, maar met een extra aardappel voor haar. Het is een dag die ik niet snel meer zal vergeten, want er wordt gezegd dat de Canadezen en Amerikanen ons komen redden! Zuid-Nederland is al bevrijd. Ik knijp in mijn moeders arm. ‘Mijn wens voor jou is dat we de volgende verjaardag met zijn vieren kunnen vieren,’ zeg ik tegen haar. Mijn moeder bijt op haar lip.

‘Wanneer komen ze nou?’ is de vraag die ieder van ons al dagen stelt. Ze zeggen morgen, maar dat moet ik eerst nog zien. Zouden het de Canadezen zijn? vraag ik mezelf af. De spanning stijgt met de dag. Het lukt me niet om te slapen. De volgende ochtend wordt met een harde klap de kelderdeur geopend. ‘HET IS VOORBIJ!’ hoor ik een vrouw schreeuwen.

 

Onwennig loop ik uit de kelder. ‘Is het echt waar. Is het echt waar?’ vraag ik aan mijn moeder. Ze knikt. In de verte zie ik twee mannen lopen. Vel over been. Ik herken ze bijna niet. Ik wil wel rennen, maar mijn benen haperen. Tegelijkertijd omhelzen we elkaar. Maanden later dringt het tot mij door dat ik andere familieleden nooit meer zal zien. Dood, omdat ze Joods zijn.

Liefs,

Saskia

 

Wat vind je van mijn verhaal?

Ieder verhaal is geschreven vanuit mijn hart. Het is dan ook moeilijk om het de wijde wereld in te slingeren, want dan is het verhaal niet meer van mij alleen.

Als schrijfster denk je soms dat je een geweldig verhaal geschreven hebt. Als lezer kun je hier heel anders over denken. Ik vind contact met mijn lezers belangrijk. Als schrijfster word ik beter door heel veel te oefenen, maar ook door de reacties van jullie.

Ik beantwoord graag jouw vragen en/of reacties. Laat mij vooral weten wat je van mijn verhalen vindt.

Shopping cart
There are no products in the cart!
Continue shopping
0