fbpx

Verhaal 39
Dit verhaal is ook hier te luisteren op mijn podcast kanaal!


Bombardement op Rotterdam

Op 14 mei 1940 gebeurt er iets verschrikkelijks. De Rotterdamse stad wordt plat gebombardeerd. Het begin van de Tweede Wereldoorlog. 

Ik storm de slaapkamer van mijn ouders binnen en spring op het bed. Mama ligt nog te slapen, maar papa trekt mij meteen naar zich toe.

 

‘Gefeliciteerd Betty. Negen jaar alweer,’ hoor ik hem tegen mij zeggen. Ik krijg een kus op mijn voorhoofd.

Op mijn wollen sokken loop ik de houten trap af. Het is koud beneden. De houtkachel brandt niet. Ik zie mijn moeder de trap af komen in haar nachtjapon. Ze feliciteert me.

 

‘Kleed je aan, dan krijg je daarna je cadeau,’ zegt mijn moeder. Ik doe wat ze zegt. Het is inmiddels heerlijk warm. Het hout knispert. Ik zie mijn broer spelen met zijn houten trein.

In mijn mooiste kanten jurkje en zwarte schoenen, zit ik aan de houten tafel. ‘Zij leve lang, hoera, hoera’, zingen mijn vader, moeder en broer voor mij. Voor me staat een klein rond pakje.

 

‘Maak het maar open,’ zegt mijn moeder tegen mij.

Ik pak het cadeautje en scheur het papier eraf. ‘Knikkers. Die wilde ik hebben!’ zeg ik.

 

Ik ben zo blij. Ik wil naar mijn ouders lopen om hen te bedanken, maar dan hoor ik een geluid dat ik niet ken. Het klinkt gevaarlijk. Een hele harde sirene. Uit nieuwsgierigheid loop ik naar de vensterbank. Buiten is het een dag als alle andere. Ik zie mijn buurjongen fietsen op straat.

 

‘Weg daar,’ schreeuwt mijn vader naar mij.

 

Ik luister niet. Een seconde later trekt hij mij aan mijn benen van de vensterbank af. Het huis schudt. Mijn moeder lacht van de zenuwen. Boven ons huis maken straalvliegtuigen een schel geluid. Op hetzelfde moment valt er een bom in onze straat. Het vensterraam valt in tientallen kleine stukjes uit elkaar. Mijn broer gilt het uit van de pijn. Een groot stuk glas is in zijn been gevallen. Op de taart en houten trein zitten allemaal bloedspatten. Het zakje knikkers ligt niet meer op tafel.

Ik hoor paniek in de stem van mijn vader. Hij trekt zijn colbert uit en bindt het been van mijn broer af. Mijn vader schreeuwt naar mij dat ik mee moet komen. Ik wil mijn knikkers gaan zoeken, maar dan schreeuwt mijn vader nog harder. Ik volg hem de betonnen trap af. Mijn broer wordt gedragen door mijn vader.

 

‘Ik moet naar een hulppost met hem,’ hoor ik mijn vader tegen mijn moeder zeggen.

Een paar seconden later ligt mijn broer in een bakfiets. Mijn vader zwoegt. Ik kijk hem na, totdat hij de hoek om is.

In de straat is het chaos. Aan de overkant staat een huis in brand. Zwarte rookwolken komen uit het huis. Mensen rennen in paniek over straat. Een grote tank rijdt door de menigte. Ik zie mijn vriendinnetje Johanna samen met haar familie erin zitten. Mijn moeder trekt mij mee aan haar arm. Er staat een harde wind. Ik hoor de sirenes van de brandweer.

Ik schrik van een nieuwe bom. De knal is zo hard dat het lijkt of het in onze straat is. Ik ren, terwijl uit de lucht geen regen komt, maar bommen. Ik ren langs mijn school. Het gebouw is verwoest. Het dak is eraf. Een eindje verderop mag ik eindelijk stoppen van mijn moeder. Onder een ijzeren brandtrap moet ik gaan zitten.

 

‘Niet kijken,’ zegt mijn moeder tegen mij. Ik moet mijn handen voor mijn ogen houden, maar stiekem kijk ik door de kleine spleetjes tussen mijn vingers. Ik zie een vrouw op de grond vallen. Ze komt niet meer overeind.

Ik denk aan mijn broer. Zou hij al bij een hulppost zijn? Ik voel de pols van mijn moeder heel hard kloppen tegen mijn arm. Op haar handen zitten bloedspatten. Iedere keer schrik ik als er een nieuwe bom valt. Er lopen mensen met koffers voorbij.

Na een paar minuten wordt het steeds minder. De brandweer blust een gebouw in de verte. Ik kijk naar de rookpluimen. Het vuur wordt niet minder. Klein steengruis waait in mijn gezicht. Mijn moeder zegt dat ik mijn gezicht in haar jas moet stoppen. Zo blijf ik zitten. Ik moet heel hard hoesten en kijk naar mijn kanten jurkje dat zwart is geworden.

‘Het is niet veilig. Ik vertrouw het niet,’ zegt mijn moeder tegen mij.

 

Ik kijk naar de overkant waar ook kinderen verstopt zitten. Ik zwaai naar een meisje. Ze zwaait niet terug.

 

‘Hoe lang nog?’ vraag ik.

‘Blijf zitten,’ commandeert mijn moeder naar mij.

 

Mijn moeder laat mijn arm los. Ik krijg het koud. Ik zie dat ze naar de hoek van de straat loopt. Even brengt ze haar hand naar haar mond. Mijn moeder loopt terug naar mij. ‘Geef je hand,’ zegt ze tegen me. Net op tijd ren ik samen met haar de straat uit. Achter ons valt een bom. Ik kijk niet om.

 

Een fietser passeert ons. Soms herken ik een gebouw, zoals de slagerij waar ik weleens naartoe ging. De gevel is verwoest. Ik loop over de rode luifel die op de grond is gevallen. Achter mij hoor ik gebrom. Ik gebaar naar de militair.

 

‘Instappen NU!’ schreeuwt hij naar mij. Twee sterke armen trekken mij in de laadbak. Mijn moeder is de volgende. De chauffeur begint te rijden.

 

‘Wacht. Mijn moeder!’ roep ik. Mijn moeder bungelt aan de handen van een man. Het militaire voertuig stopt. Een tweede man trekt aan mijn moeders arm. Daarna valt mijn moeder in de laadbak. Ik hoor haar zuchten. Sputterend rijdt de wagen naar het water. In een klein bootje word ik naar de overkant gebracht. Vervolgens moet ik instappen in een vrachtwagen. Ik weet niet waar ik ben. Ik ben nog nooit buiten Rotterdam geweest. Gelukkig zit mijn moeder naast me.

 

In een grote schuur met stro, krijg ik een deken om mij heen geslagen. Ik ben bang dat er nog een bom valt. Hoe zou het met mijn broer zijn? Kunnen de dokters hem nog helpen? Een vrouw geeft mij bouillon om te drinken.

Ik denk aan hoe vanochtend mijn ouders en broer voor mij zongen. Ik vertel tegen een meisje met twee vlechtjes dat ik jarig ben. Spontaan begint het meisje voor mij te zingen. De andere mensen beginnen te klappen. Eerst zingt iedereen heel zachtjes, maar daarna steeds luider. Even lijkt alles normaal. Een kleine glimlach verschijnt op mijn gezicht. Mijn moeder zegt tegen me dat ik wat moet drinken.

 

‘Ik heb geen dorst,’ zeg ik en zet de bouillon naast haar neer. ‘Ik wil weten hoe het met mijn broer en vader is. Als ik thuis ben, wil ik met Kees knikkeren,’ zeg ik tegen mijn moeder. Mama reageert niet. Ik ben zo moe dat ik in slaap val op mijn moeders schoot.

De volgende dag word ik wakker. Ik hoor mensen fluisteren dat dit niet Rotterdam, maar Capelle is. Ik ruik aan mijn jurkje. De geur van verbranding ruik je overal in de schuur. Op de radio hoor ik dat de Duitsers Rotterdam op veertien mei hebben gebombardeerd. Dat was gisteren, op mijn verjaardag. Ik luister naar de mannelijke stem op de radio die zegt dat er veel slachtoffers zijn. De ziekenhuizen liggen vol. Met mijn handen pak ik wat stro. De strengen haal ik uit elkaar. Ik snuif de hooigeur op en denk aan vroeger, totdat mijn moeder mij wenkt.

 

Het bloed is verdwenen van haar handen. Alleen op haar rok zitten nog spatten en grote gaten. We stappen in een zwarte auto. Ik krijg een broodje kaas van de chauffeur. Terwijl ik eet, kijk ik naar buiten. Het doet pijn in mijn buik.

‘Stop,’ zegt mijn moeder tegen de chauffeur. Net op tijd gaat het portier open. Ik braak en voel me misselijk. Het portier gaat weer dicht.

Een weeïge lucht verspreidt zich door de auto. Ik zie alleen maar puin. Alles is verwoest. Ik kan niet meer hinkelen op het plein. Ik herken het alleen door de grote boom, want daar verstopte ik me altijd. Mijn moeder bedankt de chauffeur en we stappen uit. De buitenlucht doet me goed, de misselijkheid zakt. In het ziekenhuis dragen zusters witte schorten. Ze lopen door elkaar. ‘Opgepast! Aan de kant,’ hoor ik een zuster zeggen. Ik stap snel opzij. Het bed rijdt langs mij heen. Een man in het bed kermt van de pijn.

 

‘Zijn mijn zoon en man hier?’ vraagt mijn moeder aan een verpleegster.

 

‘Geen tijd voor mevrouw,’ hoor ik de zuster zeggen.

 

Ik begin dorst te krijgen. Mijn benen wiebelen heen en weer om aan iets anders te denken. Zenuwachtig loopt mijn moeder door de overvolle wachtruimte.

 

‘Heeft u een foto van uw zoon?’ hoor ik de zuster aan mijn moeder vragen. Ik zie mijn moeder schudden van niet.

Ik begin te praten. ‘Een zwarte bril en een groot litteken op zijn rechterhand. Mijn broer heet Kees,’ zeg ik.

‘Komen jullie maar mee,’ zegt ze tegen mij en mijn moeder. Het ruikt muf in de hallen van het ziekenhuis. Tijdens het lopen voel ik hoe moe ik ben. Ik kijk naar de nummers boven de kamers. Kamer vier. Kamer vijf…

Bij kamer zes doet een zuster de deur dicht. De zuster fluistert in mijn moeders oor. Voorzichtig loop ik aan de hand van mijn moeder de kamer in. Ik kijk naar het eerste bed. Een vrouw slaapt. Op het tweede bed drinkt een jongen een slokje thee. ‘Kees,’ zeg ik. Ik laat de hand van mijn moeder los. Ik wil op zijn bed springen, maar dat durf ik niet. Zijn been is ingepakt in een groot verband. Mijn broer lacht naar mij.

Moeder knijpt in zijn hand. ‘Heb je je vader gezien?’ vraagt mijn moeder aan Kees. Ik hoor mijn broer mompelen. Heel langzaam tilt hij zijn arm op. Hij wijst naar de andere kant van de ruimte. Moeder loopt naar mijn vader.

‘Hij slaapt, maar hij gaat het halen,’ hoor ik de zuster tegen mijn moeder zeggen. Op zijn gezicht zitten grote opgedroogde bloedkorsten. Als de zuster het witte laken van hem afhaalt, zie ik dat hij op zijn buik een wond heeft. Het verband is donkerrood met paarse vlekken.

Een week later zijn mijn vader en broer zijn uit het ziekenhuis ontslagen. De snoepjesfabriek waar mijn vader werkte bestaat niet meer. Net als ons huis. We wonen nu bij mijn tante in Noord.

Na een paar weken heeft mijn vader weer energie om met mij spelletjes te spelen. Hij gaat ook weer werken. Hij helpt mee om het puin uit de binnenstad te ruimen. Mijn vader zegt dat Rotterdam over een aantal jaren weer een mooie stad is. Tijdens het bombardement op veertien mei 1940 zijn meer dan tachtigduizend mensen hun huis kwijt geraakt en negenhonderd Rotterdammers om het leven gekomen. Ook mijn buurjongen en vriendinnetjes in de buurt zijn dood. Dat vertelde mijn vader in tranen tegen mij. Als troost heb ik een zakje nieuwe knikkers gekregen. Samen met mijn broer knikker ik nu iedere dag tussen het puin.

Liefs,
Saskia

 

Wat vind je van mijn verhaal?

Ieder verhaal is geschreven vanuit mijn hart. Het is dan ook moeilijk om het de wijde wereld in te slingeren, want dan is het verhaal niet meer van mij alleen.

Als schrijfster denk je soms dat je een geweldig verhaal geschreven hebt. Als lezer kun je hier heel anders over denken. Ik vind contact met mijn lezers belangrijk. Als schrijfster word ik beter door heel veel te oefenen, maar ook door de reacties van jullie.

Ik beantwoord graag jouw vragen en/of reacties. Laat mij vooral weten wat je van mijn verhalen vindt.

Winkelmand
There are no products in the cart!
Continue Shopping
0