fbpx

Verhaal 3
Dit verhaal is ook hier te luisteren op mijn podcast kanaal!

Winnen

 Als je van sport houdt, is dit verhaal zeker geschikt voor jou! Lukt het Nadine om te winnen?

Heb ik alles bij me? Voor de laatste keer check ik mijn sporttas. Het belangrijkste moet ik nog pakken. Dat zijn mijn spikes.

Ik loop naar beneden en uit de garage pak ik mijn hardloopschoenen. Het is nog vroeg, maar ik heb geen rust om nog langer thuis te blijven. Als ik toch moet wachten, kan ik dat maar beter doen op het station van Utrecht. Stel je voor dat ik mijn trein mis, dan is alles voor niets geweest.

Ik trek mijn jas aan en vertrek. Terwijl ik naar het station loop, vraag ik me af hoe het zal gaan. Na maanden van voorbereiding strijd ik vandaag tegen de beste van Nederland op de honderd meter-sprint. Zullen de mensen mijn naam scanderen in het stadion als het startschot heeft geklonken?

Een bus toetert en ik schrik op. Ik was zo in gedachten verzonken dat ik op de weg liep in plaats van op het voetpad. Koppie erbij houden, Nadine. Onderweg check ik nog even op welk perron mijn trein vertrekt. Geen wijzigingen. Het is nog steeds perron 3b. Als ik eindelijk ben gearriveerd open de NS-app en scan de QR-code voor het poortje. Met een bliep krijg ik de bevestiging dat ik door mag lopen.

 

In de trein is het rustig. Voor de laatste keer lees ik de brief van de Koninklijke Nederlandse Atletiek Unie.

Beste Nadine,

Van harte gefeliciteerd met jouw selectie voor het Nederlands Kampioenschap! Uit ruim zeshonderd talenten behoor je bij de snelste meiden onder de veertien jaar op de honderd meter-sprint. Op zaterdagochtend 10 juli aanstaande is het zover. De finalisten uit alle Nederlandse regio’s strijden tegen elkaar voor de titel. We zien je graag om elf uur in het Olympisch Stadion te Amsterdam.

 

‘Jongedame, uw kaartje.’ De conducteur kijkt vriendelijk naar me .

‘O sorry,’ stamel ik. Ik pak mijn  mobieltje en laat mijn  kaartje zien.

‘Fijne reis,’ zegt de conducteur en hij loopt naar de volgende passagier.

Het is maar goed dat de conducteur langskwam, want zo te zien ben ik al in Amsterdam. In een flits passeren we de Johan Cruijff Arena. Daar zou Ruben, mijn  broertje ooit wel willen spelen. Hij wil net zo goed worden als Daley Blind.

Ik heb niets met voetbal en teamsporten. Ik wil de beste zijn. Net als mijn heldin, Dafne Schippers. Sinds ik lid werd van Achilles is het mijn droom om in het Olympisch Stadion te lopen. Ik weet nog goed dat ik na lang zeuren bij mijn ouders eindelijk op atletiek mocht.

Op mijn vijfde begon ik bij juffrouw Mieke. Eigenlijk was ik nog te jong. Alle andere kinderen waren zes of zeven, maar van Mieke mocht ik meedoen, omdat ik ondanks mijn korte beentjes zo snel kon lopen. Sindsdien loop ik ieder jaar sneller en sneller. Mijn eerste wedstrijd was de taaitaailoop met sinterklaas. Na afloop kreeg ik een grote zilveren beker met pepernoten erin. De beker staat in de vitrinekast op mijn kamer. Daarna volgden vijfentachtig medailles en bekers, waarvoor papa nu een nieuwe kast aan het maken is.

Bij de entree wapperen de vlaggen heen en weer. Wind in de rug is altijd fijn om records mee te lopen. Achter me hoor ik mijn naam. Ik draai me om en zie Fred, mijn trainer. Fred is een echte kampioenenmaker. Hij heeft zelfs Churandy Martina getraind. Ik begroet Fred.

‘Hoe voelen de beentjes?’ vraagt hij.

‘Super. Ik kan niet wachten om mijn spikes aan te mogen trekken en mijn grote concurrente Loes te verslaan.’

‘Zo mag ik het horen!’ antwoordt Fred en geeft me een bemoedigende schouderklop.

Ik loop door de hal in het Olympisch stadion. Terwijl ik mijn fruitreep uit mijn tas haal en de verpakking met mijn tanden openscheur, lees ik de beschrijving over Fanny Blankers Koen. Er staat ‘de vliegende huisvrouw’. Wow. Vier gouden Olympische medailles in 1948 te Londen. Hoe mooi zou het zijn als hier op een dag een portret van mij hangt? Ik neem kleine hapjes van mijn fruitreep en proef de zoete smaak van appel in mijn mond, terwijl ik langs portretten van Gregory Sedoc en Ellen van Langen loop.

Ik open de kleedkamer met nummer elf. Loes is er al. Hoe kan het ook anders? Zij moet helemaal vanuit Middelburg komen. Vergeleken haar hoef ik niet zo ver. Vanuit Utrecht ben je zo in Amsterdam, maar vanuit Middelburg is het een halve wereldreis.

‘Goeiemorgen,’ zeg ik opgewekt tegen Loes.

‘Goedemorgen Nadine. Ik ga alvast beginnen aan mijn warming up. Veel succes vandaag’. Loes geeft me een elleboogje en verlaat vervolgens de kleedkamer.

Ik open mijn tas. Speciaal voor vandaag heb ik mijn geluksshirt in mijn tas gestopt. Het fel oranje shirt droeg ik voor het eerst bij de clubkampioenschappen in maart. Het was de eerste warme dag van het jaar. Ik won met overmacht van Lieke en Femke, mijn trainingsmaatjes. Sindsdien heb ik alle wedstrijden gewonnen in dit shirt. Ik trek het shirt over mijn hoofd, spring twee keer in de lucht en verlaat de kleedkamer.

Waar zouden papa, mama en Ruben zitten? Met mijn ogen scan ik de tribune af. Mijn moeder heeft altijd een oranje pet op, zodat ik haar kan herkennen.

De zenuwen gieren door mijn lijf. Vanuit de kleedkamer hoor ik de stadionspeaker het publiek welkom heten. Ik trek nog een laatste sprint, drink nog een slokje water en dan ben ik klaar voor de start!

 

Er wordt op de deur geklopt. Eén voor één noemt de vrouw onze namen op. Als mijn naam omgeroepen wordt, ga ik in de rij staan, voor Loes. Ik heb dit jaar de snelste tijd gelopen en daarom mag ik starten in baan vier.

De adrenaline kolkt door mijn lijf. Ik kijk naar de tribune en zie dat mijn broertje zijn duim naar mij opsteekt. Ik zwaai nog een keer en stel dan mijn startblok in. Eén spikelengte voor mijn rechtervoet en twee schoenlengtes voor mijn linkervoet. Ik sprint nog een keer twintig meter, doe mijn trainingsjack uit en wacht in mijn baan totdat de wedstrijd begint. De speaker maant ons naar voren. In gedachten neem ik nog één keer de instructies door van Fred: trek je benen zo hoog mogelijk op en blijf ontspannen lopen. Houd je armen straks langs je lichaam tot maximaal tachtig graden.

Voor de laatste keer kijk ik recht vooruit naar de finish. Ik laat mijn hoofd en rug inzakken denk maar aan één ding; deze wedstrijd ga ik winnen!

Het startschot klinkt. Mijn lichaam strek ik zo explosief mogelijk na het startsignaal. Ik struikel bijna bij de eerste pas met mijn rechtervoet. In een flits denk ik dat alles voorbij is, maar dan maken mijn benen snelle, maar ruime passen naar voren. De eerste meters moet ik werken, maar dan ga ik harder en harder. Het lopen kost geen energie. Mijn wangen klotsen ontspannen heen en weer.

Nog dertig meter. Het lijkt alsof mijn bovenbenen en armen in brand staan.

Nog twintig meter. Doorzetten nu. Als ik nu opgeef is alles voor niets. Ik kan mijn benen bijna niet meer heffen van de pijn.

Nog tien meter. Ik duw mijn borst naar voren.

Uitgeput val ik op de rode tartanbaan. Ik hap naar adem, terwijl ik languit op de grond lig. Mijn hart bonst hevig. In mijn ooghoeken zie ik Loes naar me toekomen. Ik draai mezelf om en ga zitten. Loes steekt haar hand naar me uit. ‘Gefeliciteerd. Je bent Nederlands kampioen’. Ze tilt me overeind en we omhelzen elkaar. ‘Je was één seconde sneller dan ik.’

Vol ongeloof kijk ik naar haar en met een schuin oog kijk ik naar het scorebord. Het staat er echt! Er staat een eentje voor mijn naam. Nadine Boer, 13.12 seconden. Een Nederlands record. Vanaf de tribune wordt de Nederlandse vlag gegooid. Ik pak hem op en zie dat het mijn vader is die hem wierp.  Hij balt zijn vuist. Ik sla de vlag over mijn schouder en loop een ereronde. Ik zwaai naar het publiek, terwijl ik kijk naar de Olympische vlag. Het is gelukt! Ik ben Nederlands Kampioen.

Mijn naam wordt omgeroepen. Met een grote sprong spring ik op het ereschavot. ‘Speciaal voor vandaag zal onze sprintkoningin Dafne Schippers de medailles uitreiken’.

Hoorde ik dat nou goed? Mijn hoofd tolt van de vele indrukken, maar dan hoor ik de stem die ik zo goed ken van televisie. ‘Wat een geweldige race. Gefeliciteerd Nadine. Het is een eer om jou deze medaille te mogen uitreiken.’

Normaal praat ik honderduit, maar nu lijkt het wel alsof ik mijn tong verloren ben. Als het Wilhelmus klinkt rolt er een traan over mijn wang. Ik zwaai nog een keer naar het publiek en loop dan naar de kleedkamer.

Als ik mijn spullen heb gepakt, staan mijn ouders al klaar om mij te omhelzen voor een groepsknuffel. ‘Daar heb je onze kampioen. Trots op jou’, roepen zij in koor.

Met een brede grijns laat ik mijn medaille zien. ‘Deze krijgt een heel speciaal plekje,’ zeg ik tegen Ruben. ‘Op een dag komt jouw droom ook uit. Ik heb er zo vaak over gedroomd en nu ben ik Nederlands Kampioen!’

‘En ik heb een zus die de snelste sprinter is van de Nederlandse meisjes onder de veertien!’ Ruben geeft me een boks.

‘Wie wint mag kiezen wat zij wil eten,’ zegt papa van achter het stuur. ‘Pannenkoeken!’ roep ik, en papa rijdt de auto al op de oprit thuis.

 

Liefs,
Saskia

Wat vind je van mijn verhaal?

Ieder verhaal is geschreven vanuit mijn hart. Het is dan ook moeilijk om het de wijde wereld in te slingeren, want dan is het verhaal niet meer van mij alleen.

Als schrijfster denk je soms dat je een geweldig verhaal geschreven hebt. Als lezer kun je hier heel anders over denken. Ik vind contact met mijn lezers belangrijk. Als schrijfster word ik beter door heel veel te oefenen, maar ook door de reacties van jullie.

Ik beantwoord graag jouw vragen en/of reacties. Laat mij vooral weten wat je van mijn verhalen vindt.

Shopping cart
There are no products in the cart!
Continue shopping
0