fbpx

Verhaal 26

Guus en Gijs gaan wildkamperen in Zweden

 

Ook kinderen maken mee dat een vriendje of vriendinnetje dood kan gaan. Dit verhaal neemt je mee in de prachtige vriendschap tussen Gijs en Ward.

‘Wat sta je daar nou man, stap in de kano!’ roept Gijs naar zijn vriend Guus.

‘Nog even mijn laatste appje versturen.’

‘Zeker naar Femke. Ik wil die naam niet meer horen.’

Guus bloost.

‘Klaar. Jij gaat voorin.’

Guus loopt wiebelend door de kano. Gijs duwt hem van de kant. Guus wil gaan zitten. Hij verliest zijn evenwicht. Hij gilt en valt in het water.

Guus komt boven water. ‘Mijn mobiel!’ gilt hij in paniek.

Gijs trekt zijn vriend in de kano. Het water spat in zijn gezicht. De twee kijken naar het mobieltje. Guus haalt zijn Ajax-hoesje van zijn telefoon. Hij geeft er een harde klap tegen. ‘Helaas overleden.’

‘Ah joh. We zijn maar een nachtje wild kamperen in Zweden. Je hebt daar toch geen bereik,’ reageert Gijs luchtig.

Guus zucht. ‘Heb jij je telefoon bij je?’ Gijs knikt.

 

‘We gaan helemaal scheef, Guus,’ commandeert Gijs vanuit de achterkant van de kano.

‘Chill toch eens man. De rivier is een kilometer breed. Daar in de verte is het.’ Guus wijst naar de weelderige, groene dennenbomen in het midden van het eiland.

Gijs knijpt zijn ogen tot spleetjes, maar voelt dan spetters op zijn arm. ‘Die krijg je terug.’ Hij steekt zijn peddel in het water. Het water spat op de rug van Guus. De twee blijven elkaar nat spetteren. Gelukkig kunnen ze daar allebei goed tegen.

Ze kennen elkaar ook al zo lang. Eigenlijk wilden ze vorig jaar al met elkaar op vakantie, maar toen overleed de oma van Gijs. Nu zijn ze allebei zestien en geslaagd voor het VMBO. Gijs komt al zijn hele leven op deze camping. Hendrik kent hij al meer dan tien jaar. De ouders van Guus vonden hem nog te jong, maar uiteindelijk mocht het toch. Alleen dan moesten ze wel naar Gustavsfors in Zweden. Daar ligt camping Alcatraz van Hendrik.

 

Gijs geeft zijn vriend een high five. Guus opent de ton. Zijn gekleurde hangmat hangt hij tussen twee dennenbomen. ‘Heerlijk.’ Met zijn armen achter zijn oor, ligt hij te chillen. Gijs port zijn vriend in zijn buik. Hij schrikt. ‘We hebben nog een hoop te doen. De tent moet opgezet worden en we moeten hout sprokkelen en vuur aanmaken.’

In de schemer begint Gijs met het opzetten van de tent. Net voor het donker is, is het klusje klaar. In de tussentijd is zijn vriend Guus hout aan het verzamelen.

Guus loopt door het bos. Het is wel heel stil, denkt hij. Hij hoort alleen zijn eigen voetstappen. Had ik mijn telefoon maar, dan had ik nu licht, denkt hij. Met zijn handen raapt hij takken en twijgen. In het donker ziet elke boom hetzelfde eruit. Hij dwaalt rond in het bos.

‘Guus! Guus!’ schreeuwt Gijs over het eiland. Eindelijk ziet hij Guus aankomen. ‘Heb je oogkleppen op?’ Guus legt het hout bij de kampvuurplek.

Gijs heeft bij de scouting gezeten. Dat is te merken, want hij stapelt de takjes en houtblokken op elkaar. Langzaam beginnen de eerste takjes te knisperen. Het maakt een licht knetterend geluid.

‘Eindelijk tijd om te bikken,’ zegt Guus. Die jongen kan blijven eten, denkt Gijs.

 

Het vuur wordt steeds feller. Uit de tent pakt Guus de hamburgers. ‘Hmm. Heerlijk. Lekkerder dan McDonalds,’ zegt Gijs.

‘Ik mis alleen de tomatenketchup,’ antwoordt Guus met volle mond.

Na het eten gaan de twee naar bed.

 

‘Hoor jij dat ook?’ vraagt Guus.

‘O joh, dat is gewoon een bij. We zijn hier wel aan het wildkamperen,’ antwoordt Gijs slaperig.

Zoemmm.

Guus begint om zich heen te slaan. ‘AU! Ik word helemaal lek geprikt door de muggen.’

‘Pak je telefoon eens, dan heb ik wat licht.’ Gijs doet net alsof hij het niet hoort. Guus zit recht op zijn dunne opblaasbare matje. Hij hoorde iets vallen op de tent. Het begint steeds harder te waaien. De tent beweegt.

‘Wakker worden.’ Guus schudt zijn vriend door elkaar. ‘Het begint te stormen!’ roept Guus in paniek. Net op dat moment vliegt de bovenkant van het tentzeil door de lucht.

De twee zitten in hun pyjama rechtop. Direct loopt Guus het zeil achterna. De dennenappels doen zeer aan zijn voeten. Van een afstandje ziet hij dat het dak van de tent in het kampvuur belandt.

Het smeult direct. ‘Wat sta je daar nou, man!’ Gijs ziet nu ook in dat ze iets moeten doen. Hij wrijft de slaap uit zijn ogen. De ton met waardevolle spullen kiepert hij leeg. ‘Help me,’ commandeert Gijs zijn vriend.

De twee vullen de ton met water. Samen sproeien ze de inhoud over het vuur. ‘Opschieten Guus! Blijf daar niet staan kijken. We hebben meer water nodig.’ Na iedere keer wordt het vuur alleen maar kleiner. Uitgeput giet Gijs de laatste druppels uit de ton over de smeulende takjes. Het maakt een sissend geluid.

Het begint te regenen. De wind neemt nog meer toe. De pyjama van Guus wappert tegen zijn buik. Gijs tijgert op zijn handen naar de overblijfselen van de tent. Hij tast met zijn handen de natte grond af. Jakkes. Hij voelt iets glibberigs. Dat is in ieder geval niet zijn mobiel. Hij tijgert nog een stukje verder. Opeens voelt hij iets hards. Hij klapt het hoestje open. ‘Ga aan,’ fluistert hij. Maar het apparaat doet helemaal niets. Gijs neemt een flinke hap lucht. ‘Mijn mobiel gaat niet aan,’ zegt hij tegen Guus.

‘Dat kan er ook nog wel bij.’ Guus heeft beschutting gevonden tegen een boom. De twee zitten naast elkaar. De wind huilt.

Gijs heeft het koud. Zijn hele pyjama is nat geworden door het tillen van het water. De spullen fladderen door de lucht. Allebei zijn ze moe. Guus valt op de schouder van Gijs in slaap. Gijs vindt het spooky. Hij ziet een pikzwarte lucht. Dit wordt een hele lange koude nacht in de bossen van Zweden.

Had ik mijn mobiel maar opgeladen, denkt hij. Hondachtige geluiden, zoals blaffen en huilen, klinken steeds dichterbij. Guus wordt wakker van het bewegen van Gijs. ‘We zijn niet alleen op het eiland,’ fluistert Gijs.

Langzaam breekt de zon door de bomen. Gijs staat op en loopt naar de richting waar het geluid vandaan komt. ‘Het beweegt,’ fluistert hij. Langzaam loopt hij weer terug naar zijn vriend. Ze houden elkaars hand vast tegen de boom. Het wordt steeds lichter. De jankende geluiden zijn verdwenen.

Het wolkendek breekt open. De ochtendzon schijnt door de bomen. Nu pas is te zien hoe groot de ravage is. In de verte staart er een hert naar Guus. ‘Het geluid vannacht was van een hert.’

‘Zou je denken?’

‘Ja. Ik zie net een hert wegspringen.’

‘Misschien was het wel een vos,’ antwoordt Gijs.

Guus durft de vraag niet goed aan zijn vriend te stellen. Zijn maag knort. De spullen die nog over zijn, stopt hij in de ton. Zijn spijkerbroek kan hij niet meer vinden.

Gijs haalt de laatste haringen uit de grond. Op zijn armen staan vuurrode krassen. Zwijgend stappen de twee in een natte kano. Het water stroomt niet en het is windstil.

De spieren van Guus in zijn onderarm voelen stijf, moe en krachteloos. ‘Je moet peddelen Guus, anders zijn we vannacht nog niet thuis.’

Het kost Guus iedere keer steeds meer moeite om zijn peddel in het water te steken. Doordat Guus amper meehelpt, vaart de kano langs laaghangende takken.

‘Bukken, Guus!’

Maar het is al te laat. De takken krassen over zijn armen. Het bloed stroomt langs zijn handen. Gijs probeert de kano los te wrikken. Hij zet zijn peddel in de zandgrond, maar de kano zit steeds vaster. In het gezicht van Gijs prikken de doorns. De vrienden maken ruzie.

Na een tijdje bekvechten, ziet Guus een kajak. Hij schreeuwt naar de man. De afstand is te groot.

‘We komen hier nooit weg.’ Woest slaat hij met zijn peddel tegen de kano.

De uren verstrijken. Allebei hebben ze een leeg gevoel in hun maag. ‘Ik kan nergens anders meer aan denken dan aan eten en Alcatraz. Wat nou als we hier vast blijven zitten?’

‘Dat gebeurt niet, Guus. Iedere zomer gaan hele gezinnen kanoën op het meer.’

De zon verdwijnt achter de wolken. Normaal kan Gijs uren turen naar het meer. Het is aan alle kanten mooi. Nu niet.

 

‘Kijk dan, Gijs. Twee stellen varen onze kant op.’ De twee jongens roepen en schreeuwen om hulp.

‘Hoe kun je ons nou niet horen?’ Guus gooit een tak in het water. ‘We komen hier nooit meer weg.’ Guus is de wanhoop nabij.

Gijs heeft zijn vriend nog nooit zien huilen. Nu ziet hij de tranen van Guus in het water druppelen.

‘Zie jij dat ook?’

Guus kijkt niet. Nogmaals schijnt hij licht over het water. ‘HELP, HELP!’ roept Gijs zo hard als hij kan. De kanovaarder ziet het. Een bekende stem galmt over het water. ‘Het is Hendrik. De eigenaar van Alcatraz.’

Niet veel later botst de kano van Hendrik tegen die van de jongens aan. Zelfs in het schemerlicht is de lange grijze baard van Hendrik goed te herkennen. ‘Daar hebben we onze avonturiers.’ Zoals altijd is Hendrik de rust zelve. ‘Komen jullie maar in mijn kano, dan hoor ik graag alle belevenissen.’

Guus en Gijs gehoorzamen. Ze pakken alle spullen. Hendrik zijn armen zijn twee keer zo breed als die van de jongens. Hij peddelt rustig voort, terwijl Gijs toelicht wat vannacht allemaal is gebeurd.

Guus kan zijn geluk niet op. Hij hoort zijn lievelingsnummer van Snelle over het water galmen. Even later schijnt het groene discolicht in zijn ogen. Net voor middernacht bereiken de twee de camping. Hendrik trakteert hen op de grootste puntzak friet die je in het restaurant kunt kopen. In de blokhut, hebben de jongens de grootste praatjes tegenover de andere tieners.

Liefs,
Saskia

 

Wat vind je van mijn verhaal?

Ieder verhaal is geschreven vanuit mijn hart. Het is dan ook moeilijk om het de wijde wereld in te slingeren, want dan is het verhaal niet meer van mij alleen.

Als schrijfster denk je soms dat je een geweldig verhaal geschreven hebt. Als lezer kun je hier heel anders over denken. Ik vind contact met mijn lezers belangrijk. Als schrijfster word ik beter door heel veel te oefenen, maar ook door de reacties van jullie.

Ik beantwoord graag jouw vragen en/of reacties. Laat mij vooral weten wat je van mijn verhalen vindt.

Shopping cart
There are no products in the cart!
Continue shopping
0